Willen zijn wie je bent

31 maart 2016

Midden in de stad, tegenover de Doelen, staan kunstobjecten met spreuken van Erasmus. Dit tegen de achtergrond van de prachtig geschilderde muur van het huizenblok aan de overkant. WEST Kruiskade ECHT Rotterdam, staat er op deze muur, die volgetekend is met cartoons van gezichten met allemaal een verschillende uitdrukking. Alsof de kunstenaar bedoelt: we zijn allemaal nét even anders in Rotterdam. Eén van de Erasmus-spreuken zegt: “De belangrijkste voorwaarde voor geluk is dat je wilt zijn wat je bent”. Daar blijf ik over nadenken. Hij is mooi omdat hij zo eenvoudig is. Maar hoe weet je wat je bent? Dat is niet altijd zo eenvoudig.

 

Door Anne Marie Backes

foto: Fleur Beerthuis

 

Ik herinner mij een filmpje waarin een meisje van 2,5 jaar oud voor de spiegel staat. Ze kijkt, beweegt, loopt heen en weer, en tot haar eigen verbazing ontdekt ze dat zij het zelf is, die ze in de spiegel ziet. Voor het eerst snapt ze dit, en hiermee is de eerste vorm van zelfreflectie ontstaan. Na verloop van tijd groeit het vermogen om als van een afstandje naar je gedrag, je gedachten en gevoelens te kijken. Raakt dit goed ontwikkeld, dan ben je in staat om telkens opnieuw keuzes te maken in wie en wat je bent. Zodoende leer je je waarden en je eigenwaarde kennen, maar ook je grenzen. Ben je vertrouwd met je eigen grenzen, dan kun je die van een ander eveneens herkennen. Je ontwikkelt zelfbewustzijn en zelfstandigheid, en komt stevig te staan.

 

Veilig nest

In theorie lijkt het simpel, maar de praktijk van identiteitsvorming is doorgaans een stuk dynamischer. De randvoorwaarden om stevig te leren staan, zijn lang niet altijd voldoende aanwezig. Een veilig en warm nest, genoeg te eten hebben, fouten mogen maken, gestimuleerd worden om een eigen mening te vormen, merken dat je talent of kwaliteit gewaardeerd wordt. Identiteit ontwikkelt zich grofweg tussen kleutertijd en adolescentie, en grotendeels binnen de groepen waarvan je deel uitmaakt. Ouders, familie, vrienden en vriendinnen spelen een belangrijke rol, maar ook de scholen die je in al die jaren bezoekt. Iedere groep weerspiegelt je talenten, vermogens en onvermogens vanuit een andere invalshoek.

 

Heb je de pech dat je niet zo stevig komt te staan, dan ben je sneller vatbaar voor wat jou niet-eigen is. De verleidingen van de commercie hebben hiermee gemakkelijker spel. Bekend is hoe jonge mensen een deel van hun identiteit zoeken in de merkkleding die ze dragen of het merk sigaretten dat ze roken. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, maar wat als het nu om de verleiding van extremistische en onverdraagzame ideeën gaat? Rotterdam is geen gemakkelijke stad. Er leven en werken naar liefst 170 culturen. De stad gaat mee in de vaart van de globalisering, talloze keuzemogelijkheden bieden zich continu aan. Dit levert uiteraard continu kansen op, maar wie hiervan het meest profiteren zijn volgens mij toch de mensen met een goed ontwikkeld identiteitsbesef. Die weten wat ze willen en wat ze kunnen.

 

Beleefd erbij zitten

Mensen moeten het op de eerste plaats in sociaaleconomisch opzicht goed hebben, zo wordt vaak beweerd. Dan komen ze sterk te staan in een woelige maatschappij. Marco Pastors van het Nationaal Programma voor Rotterdam-Zuid hoorde ik tijdens een presentatie op een vmbo-school in Zuid zeggen hoe belangrijk het is dat iedereen gelijke kansen krijgt. Daarbij sprak hij de leerlingen direct aan. “Als jullie goed studeren en een beroep kiezen waar werk in is, zal het je goed gaan, hier in Rotterdam.” Hij onderstreepte dat het, door het Nationaal Programma, mogelijk is om in Zuid meer goede woningen en scholen te bouwen. “Je zult hier een goed leven kunnen hebben.” Eerlijk gezegd vond ik de aanwezige leerlingen er nogal beleefd bijzitten. Voor hen was het misschien wat wonderlijk om te horen dat het leven in Zuid niet zo goed is. Wellicht gaven ze er zelf een heel andere betekenis aan.

 

Hoezeer ik ook voorstander ben van goede woningen en scholen, identiteit wordt volgens mij lang niet alleen gevormd door wat je hebt, maar vooral ook door de manier waarop je naar je omgeving kijkt en er betekenis aan geeft. Die laatste notie ontleen ik aan de theorieën van professor Barend van Heusden, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, die een prachtig theoretisch kader met betrekking tot cultuuronderwijs heeft geformuleerd. De manier waarop wij waarnemen, verbeelden, conceptualiseren en analyseren bepaalt hoe wij met onze omgeving omgaan, zegt hij. Dat is cultuur. Zelfwaarneming, zelfverbeelding, zelfconceptualisering en zelfanalyse vormen onze identiteit. Binnen cultuuronderwijs worden al deze vermogens ontwikkeld en getraind. Kinderen goed cultuuronderwijs bieden, geeft ze evenzeer een goed uitgangspunt in de maatschappij als “een beroep kiezen waar werk in is”.

 

Conflict op het schoolplein

Van Heusden heeft in zijn onderzoeksprogramma ‘Cultuur in de Spiegel’ haarfijn onderzocht welke effecten van cultuuronderwijs te verwachten zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld onderwijs in dans en drama invloed te hebben op het vermogen om je in anderen in te leven en conflicten te kunnen oplossen. Dat lijkt me niet onbelangrijk in een maatschappij waarin, naar verluid, een kind van 12 via televisie en computer al meer dan 100.000 gewelddadige handelingen op het netvlies heeft gekregen. Bij een conflict op het schoolplein helpt het om de situatie te kunnen bekijken, haast zoals je een scene uit een theaterstuk ziet, om vandaaruit zo bewust en zelfstandig mogelijk te bepalen of je je er wel of niet bij aansluit. Die vrijheid is één van de onderzochte effecten. Omdat cultuuronderwijs leert waarnemen, verbeelden, conceptualiseren en analyseren legt het de basis voor de ontwikkeling tot zelfstandige, creatieve, kritische en genuanceerde mensen. Dat is volgens mij zo ongeveer het profiel van de Rotterdammer die we in de komende decennia nodig hebben.

 

Even een uitstapje naar iets waar ik bijzonder blij van ben geworden. Afgelopen najaar presenteerde de Rotterdamse Kenniskring Ateliers in School een aantal voorbeelden van ateliers waarin leerkrachten en kunstenaars samenwerken aan een vorm van onderzoekend leren – om het in onderwijstaal te zeggen. Daarbij gaat het niet alleen om het maken van kunst, maar juist ook om de verbinding met andere vakken, zoals rekenen en taal. Deze ateliers dagen de leerlingen uit om met vragen te komen, met hun eigen hypotheses en antwoorden. Zo wordt hun nieuwsgierigheid geprikkeld en hun probleemoplossend vermogen gestimuleerd.

 

Vertrouwen in ‘het proces’

In zo’n atelier mogen leerlingen tegen kunstenaars van museum Boijmans van Beuningen zeggen wat ze in een kunstwerk zien en wat ze ervan vinden. Dit is niet alleen goed voor hun kennis van cultureel erfgoed, maar ook voor hun vermogen om gedachten en gevoelens te verwoorden. In een creatief onderzoek gaan ze zelf aan de slag. Het belang van het standpunt van waaruit je naar een kunstwerk kijkt, leert ze letterlijk en figuurlijk iets over verschillende perspectieven. Maar ook komen rekenonderwerpen als symmetrie, maten, patronen en verhoudingen op een natuurlijke manier aan bod. Ik word hier blij van, vooral ook omdat de leerkracht van de kunstenaar leert over waarnemen, geduld hebben en vertrouwen in ‘het proces’. En de kunstenaar leert hoe ruziënde leerlingen te benaderen. En de leerlingen? Die zien hoe trots hun ouders zijn op wat ze gemaakt hebben.

 

Alle kinderen dezelfde kansen geven om hun talenten te ontwikkelen en daarmee in de toekomst een goed bestaan te kunnen opbouwen, is een sterk Rotterdams uitgangspunt. Door cultuuronderwijs op Rotterdamse scholen te stimuleren lever je een bijdrage aan een stad waarin ruimte is voor verschillende gezichtspunten en meningen. Waar een open en onderzoekende houding normaler wordt gevonden dan het betrekken van de eigen stelling en het bevechten van die van een ander. Waarin mensen weten wie ze zijn en kunnen onderscheiden wie de ander is en wat hem of haar drijft. Om met Erasmus te besluiten: ken jezelf. Een belangrijke voorwaarde voor geluk is immers te willen zijn wie je bent.

 

Anne Marie Backes is directeur van het Kenniscentrum Cultuureducatie Rotterdam

 

Foto: Fleur Beerthuis