Waarom ieder kind groeit door makersonderwijs

23 mei 2019

Het is een hardnekkig misverstand: praktisch onderwijs is voor leerlingen met een laag opleidingsniveau en theoretisch onderwijs staat gelijk aan een hoog opleidingsniveau. Dit misverstand zorgde er zelfs voor dat aan de Klusklas van basisschool de Wilgenstam in Rotterdam na een paar jaar een einde kwam. Zonde, zegt de school, want zij ervoeren met hun Klusklas dat ieder kind groeit door te maken.

Basisschool de Wilgenstam in Rotterdam leert zijn leerlingen buiten de lijntjes kleuren, aldus directrice Jeanine Barneveld. “We kijken breder naar kinderen dan puur en alleen het cognitieve stuk”, vertelt ze. Een aantal jaren geleden ontstond vanuit de school dan ook de wens om kinderen met een praktische intelligentie, die niet de kans kregen om hun talent binnen de reguliere lessen te uiten, iets anders aan te bieden. Naast de bestaande Plusklas werd onder leiding van lerares Ruth de Klusklas opgezet. En wat de school beoogd had, kwam nog beter uit de verf dan ze hadden gehoopt: de leerlingen uit de Klusklas bloeiden op en genoten er met volle teugen van om hun talent te kunnen uiten.

Toch hield deze Klusklas geen stand. “Waar we tegenaan liepen, is de beeldvorming bij de ouders”, vertelt Jeanine. “De Klusklas werd gezien als een klas voor minder begaafde kinderen en de Plusklas voor kinderen die wat slimmer waren. We hebben de naam Klusklas nog aangepast, maar bij de ouders is die negatieve associatie niet meer weggegaan.” Onterecht, want leren door te maken is juist ook waardevol voor kleine denkers, vindt Jeanine. “Kinderen die cognitief wat slimmer zijn weten vaak niet hoe ze moeten beginnen omdat de opdracht niet is afgekaderd”, legt ze uit. “Die kinderen kunnen door middel van makersonderwijs leren om gewoon te beginnen en door te zetten, ook zonder plan.”

Dat makersonderwijs vaak gelinkt wordt aan een lager intelligentieniveau ziet ook Iko Doeland, die onderzoek doet naar embodied cognition, regelmatig gebeuren. “Maatschappelijk waarderen we alleen maar wat we op dit moment intellectuele vermogens noemen”, vertelt hij. “Maar skillful coping, vaardig omgaan met de materiële wereld in jouw expertisedomein, vraagt heel veel cognitieve kwaliteiten. We associëren makersonderwijs vaak met een lage opleiding, maar waarom onderscheid maken tussen hoog en laag opgeleid? Waarom zou je op het v.w.o. niet beeldhouwen of muurtjes metselen? Tegenwoordig leer je als ingenieur alleen maar een muurtje tekenen. Dan heb je het vak niet in de vingers, je mist een soort know-how.”

Volgens Iko is makersonderwijs essentieel voor de karaktervorming van een kind. “Karaktervorming, daar heb je weerstand voor nodig. Materiaal heeft weerstand, laat zich niet zo gemakkelijk transformeren. Het vraagt doorzettingsvermogen, visualisatie, kracht en continu kleine aanpassingen. Embodied cognition houdt in dat de geest ontstaat door te handelen. Als je leert door te doen, vormt dit je identiteit. Maar kijk je nu naar het onderwijs, dan dresseren wij leerlingen vaak om stil te zitten. En daar ontstaan steeds meer problemen door. Ik ben dan ook van mening dat we een doorlopende makersleerlijn moeten creëren van primair tot en met voortgezet onderwijs.”

De verplichting voor alle basisscholen in Nederland om per 2020 Wetenschap en Techniek aan te bieden is alvast een stapje in de goede richting. Toen er een einde kwam aan de Klusklas van basisschool De Wilgenstam, speelden zij direct in op die toekomstige verplichting door te starten met technieklessen voor alle klassen vanaf groep vier. “De kinderen vinden het stuk voor stuk geweldig”, vertelt Ruth. “Tijdens mijn lessen is ieder kind 100 procent taakgericht. Ik ken geen enkele andere les die dat heeft.” De leerlingen krijgen veel vrijheid om zelf te onderzoeken, te experimenteren en fouten te maken. Daarbij zien, benoemen én gebruiken ze elkaars talenten. “De kinderen gaan dingen begrijpen doordat ze op een andere manier met rekenen en taal omgaan”, zegt Ruth. “Ze zijn zoveel aan het leren, en ze hebben het niet eens door.”

Inmiddels ziet de Wilgenstam ook een omslag ontstaan in de negatieve beeldvorming die bij de ouders was ontstaan. Jeanine: “We horen steeds meer ouders zeggen: wat fijn dat mijn kind hier zo breed ontwikkeld wordt. Daar zijn we erg blij mee, want we zien zoveel moois gebeuren bij de kinderen. Ze genieten er enorm van om met deze lessen bezig te zijn.” En dat genieten is volgens Iko één van de belangrijkste elementen van makersonderwijs. “Er wordt wel eens gezegd dat leren niet altijd leuk hoeft te zijn, maar waarom eigenlijk niet?” vraagt hij zich af. “Kinderen beleven heel veel genoegen en plezier aan maken. We moeten dus juist ons best doen om leren zo leuk mogelijk te maken. Want iets leren kunnen, dat is toch een geweldige ervaring?”