Nieuwe technieken in de klas? Dat betekent klein beginnen

26 mei 2016

Een handzame, maar eenzame 3D-printer. Op een namiddag digitaal knutselen met een clubje ‘nerdy’ leerlingen. Óf met collega’s fantaseren over een inpandige makerspace, een plek om al samenwerkend – meestal technische – vraagstukken op te lossen. Docenten proberen hun school op velerlei manieren warm te maken voor wat nieuw is. Initiatieven waarmee wordt gemorreld aan de traditionele schotten tussen vakken als techniek, handvaardigheid en beeldende vorming.

door Maurice Geluk

De pleitbezorgers van de Nederlandse makersbeweging, oftewel maker movement, hebben het twee jaar geleden wervend op papier gezet. Omdat de arbeidsmarkt verandert, moeten kinderen al op jonge leeftijd andere vaardigheden aangeleerd krijgen. Denk aan digitale fabricage, robotica en programmeren. Maar ook talenten ontplooien als creativiteit, samenwerken en problemen (kunnen) oplossen. Maken als middel. Want, zo is de overtuiging, iets maken verbroedert, levert tastbare resultaten op en laat verschillende disciplines, bijna als vanzelfsprekend, interacteren. Kruisbestuiving alom dus.

 

Koffiemok

Een van die nieuwe, veelgenoemde technologieën is 3D-printen. Een zeer toegankelijke bovendien, waardoor iedereen – na wat oefenen – zelf fabriekje kan spelen. Thuis, in een makerspace of in het klaslokaal. Voor nog geen 400 euro ben je de trotse eigenaar van een instapmodel. Nu nog die ontwerpsoftware onder de knie krijgen. En geduld hebben: het duurt uren voordat een koffiemok geprint is.

 

Toch is er geen leerling zonder twinkeling in de ogen bij het vooruitzicht van werken met zo’n apparaat, weet Thom Tullenaar van het Emmauscollege in Prins-Alexander. De docent handvaardigheid en techniek, op de havo- en vwo-school met bijna 1700 leerlingen, heeft er eentje staan in de kleine ruimte tussen twee lokalen. Geflankeerd door tot de nok toe gevulde stellingkasten en twee loeihete keramiekovens met af te bakken werkstukken.

 

“Digitale techniek triggert leerlingen enorm”, zegt Tullenaar. Vooralsnog wordt de 3D-printer bediend door een docent of toa, de technisch onderwijsassistent. Het is de bedoeling het borsthoge tussenmuurtje in het naastgelegen technieklokaal in z’n geheel weg te breken. De handvol computers die daar al staan, in een voormalig opberghok, krijgen gezelschap van evenzoveel printers. Vervolgt: “Ze kunnen dan echt gaan ontwerpen, hun fantasie in een voorwerp naar voren laten komen.” Onder meer de derdejaars moeten voor de modeopdracht een accessoire vervaardigen en later in het jaar een schaalmodel van een meubelstuk. “Vormen die op traditionele wijze erg lastig te maken zijn”, aldus Tullenaar.

 

Chillen en funnen

Op de school komen de verschillende vakken doorgaans alleen tijdens projecten met elkaar in contact. Zoals techniek, natuurkunde, biologie en aardrijkskunde. Bijvoorbeeld rondom de vraag hoe de plastic soep in de oceaan valt op te ruimen – het Artcadiaproject. Tullenaar hoopt dat de muren tussen makersvakken verder afbrokkelen. Op het Emmauscollege zijn techniek en handvaardigheid (jaar 1 tot en met 3) samengegaan, maar staat tekenen (plus kunstgeschiedenis) nog op zich. Daarnaast is het technieklokaal destijds ingericht door een natuurkunde- en tekendocent, met de onvermijdelijke kolomboor, figuurzaagmachine, krukken en geur van gezaagd triplex. Tullenaar: “Het pakket van eisen is hetzelfde als 20 jaar geleden. Veelal zijn de methodes leidend.”

 

Wat in de praktijk neerkomt op: wie iets anders wil doen, moet daarvoor zelf de boer op. Een naschools initiatief starten bijvoorbeeld, zoals de Nerdy Afternoons op Roncalli Mavo, een school eveneens in Prins-Alexander. Elke maandagmiddag kunnen gemotiveerde leerlingen drie uur lang “ff lekker chillen en funnen op vage digitale shit”, aldus de flyer op de deur van het lokaal. Binnen zit Barry Voeten, docent informatietechnologie, met 5 leerlingen in een kring. Zo beginnen we altijd, vertelt hij, vanwege het landskampioenschap gehuld in een PSV-shirt. “Omdat we ze een proactieve houding willen aanleren, moeten ze altijd aangeven wat hun plan is.”

 

Vrije uurtjes

Intern is een jaar lang gesproken over het omschakelen naar een zogenoemde ‘maker-mavo’. Die discussie verzandde grotendeels. “Gewoon doen”, is inmiddels Voetens credo. Dit betekent dat hij, in ieder geval tot aan de zomervakantie, zijn vrije uren besteedt aan de Nerdy Afternoons. “Veel leerlingen weten al vroeg wat ze willen. Om die vaardigheden te ontwikkelen, moet je eerder beginnen”, vervolgt de it-docent. Ter illustratie: “Programmeren in een taal als Python of processing wordt pas op het hbo gegeven.”

 

Vandaar dat de maandagmiddag lekker praktisch is. Wil je een server installeren? Ga je gang. Op je gemakkie klooien in Photoshop? Geen probleem. Of jezelf de verschillende computertalen eigen maken? De docent zet de opdrachten in een paar tellen klaar. Voeten: “De kick moet nú komen.”

 

Belangrijk is het eigenaarschap. Dat ligt bij Roncalli Mavo heel erg duidelijk bij de leerlingen. Willen ze niet, dan komen ze niet. De vijf die er wel zijn, komen supergemotiveerd over. Terwijl de ene een Windows-cd opduikelt, laat de ander zien hoe hij het rooster op de beeldschermen, verspreid door de school, kan toveren. Dit programma is door een leerling opgebouwd en ingericht. Marco Doornbos (13) kruipt direct achter een Apple om verder te gaan met waar hij vorige week was gebleven: het schrijven van codes. De eerstejaars wil later systeembeheerder worden, net als zijn vader, én websites bouwen. “Werelden maken”, zegt hij enthousiast, maar ook: “Doen wat heel veel mensen niet kunnen.”

 

Investeren

Iedere school uiteindelijk een eigen makerspace of fablab, is dat een idee? Financiën zijn het probleem, maar doorgaans ook de steun vanuit de school zelf. Die is niet altijd in alle geledingen aanwezig. “Maar investeren is onvermijdelijk”, aldus Tullenaar van het Emmauscollege. Volgens de docent zit de opbrengst in de samenwerking. “In een makerspace komt die het best tot ontwikkeling. Leerling, toa en docent zoeken gezamenlijk naar mogelijkheden. Eigenlijk een soort start-up binnen je eigen school.”

 

Daarom: klein beginnen en zo de geesten rijp maken, aldus de beide docenten op de twee scholen. Ter aanvulling – en wat niet erg schooleigen is – de leerling vooral zelf laten bedenken welke technieken hij nodig heeft om een opdracht tot een goed einde te brengen. Die kolomboor en figuurzaag zijn dan misschien zo gek nog niet.

 

Het KCR onderzoekt de kansen en valkuilen van arts & technology, makersmovement voor cultuureducatie. De contactpersoon is Mirjam van Tilburg.

 

Maurice Geluk is freelancejournalist en tekstschrijver.