Laat het kind spelen!

14 december 2015

Stelliger dan in de Brandpunt-uitzending van 3 november dit jaar kon het niet gezegd worden. 15 jaar onderzoek naar vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) heeft opgeleverd dat het effect van deze vroege educatie, waarbij kinderen met taalachterstand vanaf 2,5 jaar een aantal dagdelen naar de voorschool gaan, nihil blijkt te zijn.

Door: Sander Zweerts de Jong

 

Het is ook het terugkerend adagium van prof. dr. Goorhuis-Brouwer. Zij werkte 35 jaar lang als spraakpatholoog en orthopedagoog aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Zij werd in 2003 onderscheiden met een koninklijke onderscheiding voor haar onderzoek naar diagnostische processen van spraak- en taalproblematiek en de effecten van spraak-en taalproblemen op de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. De laatste jaren van haar klinisch werk merkte zij dat er steeds meer kinderen op het spreekuur kwamen die eigenlijk niet zoveel mankeerden. Uiteindelijk was dat zo’n rond de veertig procent van de kinderen. Reden om aan de bel te trekken. Na haar pensioen werd zij in 2012 lector Early Childhood aan de Stenden Hogeschool, waar zij PABO studenten lesgeeft.

 

Prof. dr. Goorhuis-Brouwer onderschrijft volmondig de uitzending van Brandpunt: “Het kind leert zóveel meer van het gewoon vrij spelen en van plekken waarbij verschillende sociale lagen en diverse culturen door elkaar heen spelen. Je moet kinderen met een taal- en leerachterstand niet bij elkaar zetten en ze dan proberen iets aan te leren waar het kind niet klaar voor is, dat levert niets op. Laat het kind spelen. Eerst de hardware helemaal op orde, dan zul je zien dat de software daar goed op kan draaien. Het heeft geen zin om met scholing en training van bepaalde vaardigheden te beginnen als het neurale systeem daar nog niet aan toe is. En dat is zeker bij kinderen tot zes, zeven jaar nog volop in ontwikkeling”.

Met dat standpunt staat zij enigszins tegenover de lijn die de politiek volgt. De Rotterdamse wethouder Hugo de Jonge kwam onlangs nog met een ambitieus plan, waarbij iedere peuter vanaf 2 jaar een vorm van voorschoolse educatie krijgt. Goorhuis-Brouwer ziet daarin een groot probleem: “Het wordt ontwikkeld vanuit goede bedoelingen, maar vanuit verkeerde veronderstellingen. Wat er ontstaat is dat ieder kind moet gaan voldoen aan een soort A-norm en klaargestoomd wordt voor de basisschool. Daar moeten we echt vanaf. We hebben geconstateerd dat er een enorme bandbreedte zit in de ontwikkeling van denken, taal, gedrag of motoriekBij de begeleiding van peuters en kleuters wordt vaak te weinig rekening gehouden met deze normale variaties in ontwikkelingAls ‘snelle’ kinderen de norm worden, dan zal de rest al snel gediagnosticeerd worden als een kind met een probleem. Maar dat kind heeft geen probleem. Dat kind moet zijn eigen tijd krijgen om zich te kunnen ontwikkelen. Anders krijgt dat kind een etiket waarop staat: Jij mag niet zijn wie je bent. Het moet beter. Een kind voelt dat en dat zal de ontwikkeling alleen maar belemmeren”.

De basis van dat spel is het onderzoek. Het Rotterdamse project Ateliers in School, waarbij kinderen samen met een kunstenaar experimenteren met materiaal en verbeelding, stimuleert dat vrije onderzoek van het kind en bevordert daarmee creativiteit, nieuwsgierigheid en verbeeldingsvermogen. Onlangs werden de opbrengsten van de Kenniskring die bij deze Rotterdamse aanpak hoort gepresenteerd tijdens de conferentie op de Valentijnschool. Bekijk hier een video van de conferentie.

Fotografe: Svetlana Prigoditsch

Een facet van deze Ateliers in School noemt prof. dr. Goorhuis-Brouwer: Het is goed als niet van tevoren vastgesteld wordt hoe het eindresultaat eruit moet zien. Een kunstenaar is getraind om een creatief proces aan te gaan dat alle kanten uit kan gaan. Dat geeft een rijkdom aan mogelijkheden. En het biedt ook tegenwicht aan de huidige maatschappij vol platte schermen.

Prof. dr. Goorhuis-Brouwer noemt drie belangrijke ingrediënten voor een goede ontwikkeling van het jonge kind: veel uitdaging en mogelijkheid tot fantasie-spel, een constructieve, veilige en gemengde omgeving en een rijk aanbod aan gesproken taal. Voorlezen is daarbij erg belangrijk, maar we moeten ons als ouders en onderwijzers liever niet laten verleiden tot het interactief voorlezen: Bevraag het kind niet continu, lees gewoon voor, laat het kind meegaan in het verhaal zonder dat de volwassene wil duiden, betekenis geven of ondervragen.

Vergelijkbaar met zoiets als interactief voorlezen is de term spelenderwijs leren, waar Goorhuis-Brouwer moeite mee heeft: Je moet het kind volgen in zijn spel, niet andersom. Je moet als ouders en leerkrachten bij peuters/kleuters vooral de randvoorwaarden scheppen, waardoor een kind voldoende speelmogelijkheden krijgt binnen een saamhorige en veilige omgeving. Bij zoiets als spelenderwijs leren moet er vroeger of later weer ergens aan voldaan worden.

Bij de Stenden Hogeschool probeert ze nu vakkrachten op te leiden, die goed kunnen aansluiten bij de belevingswereld van het jonge kind. Dan kan de basisschool weer die rijke, uitdagende en veilige omgeving worden, met voldoende plek voor fantasiespel. Prof. dr. Goorhuis-Brouwer ziet in het onderwijsveld wel een lichte kentering ontstaan over het geven van onderwijs aan jonge kinderen.  Observatie komt weer in de plaats van toetsen en er lijkt weer meer plaats voor het intrinsieke spel. Dat is een goede ontwikkeling en het is te hopen dat politici dat ook inzien. Het afschaffen van de Cito-kleutertoets is daarin al een stap. Nu nog kritisch durven te kijken naar de effecten van de voorschool.

 

Deze blog is geschreven in het kader van Cultuureducatie Met Kwaliteit