Inclusiviteit en cultuureducatie in Rotterdam - Jeroen S. Rozendaal

22 mei 2017

Maart 2017 was de eerste Rotterdamse Maand van Cultuuronderwijs. Tijdens deze Maand vonden tientallen evenementen plaats, waar professionals binnen cultuuronderwijs elkaar én leerlingen ontmoetten. Er werd onderzocht, beleefd, uitgewisseld en geleerd. De hoofdvraag van de Maand was ‘hoe vormt cultuuronderwijs Rotterdam?’. Vier correspondenten werden met deze vraag op pad gestuurd. Vanuit hun eigen expertise en gewapend met de verrekijker van de Maand hebben zij evenementen bezocht en collega-experts geïnterviewd. Dit artikel is het eindresultaat.

 

Jeroen S. Rozendaal is docent aan de Hogeschool Rotterdam bij het Instituut voor Lerarenopleidingen en de Master Leren Innoveren. Tijdens de Maand van Cultuuronderwijs ging hij op pad met het thema inclusiviteit. Hoe kan cultuuronderwijs bijdragen aan een inclusieve samenleving?

 

Hieronder lees je een intro, klik hier om gelijk naar het hele artikel te gaan

Inclusiviteit en cultuureducatie in Rotterdam:  Focus op engagement van leerlingen

 

Door: J.S. Rozendaal – Hogeschool Rotterdam

 

Als KCR-correspondent mocht ik tijdens de Maand van Cultuuronderwijs op pad om meer te weten te komen over inclusiviteit in het onderwijs en de manier waarop cultuureducatie hier een bijdrage aan zou kunnen leveren. In dit essay probeer ik door middel van concrete principes handvatten te bieden die leraren en scholen kunnen helpen om hun onderwijs inclusiever te maken. Er valt nog een wereld te winnen en eenvoudig is het niet, maar het nalaten van het streven naar inclusie kan georganiseerde demotivatie tot gevolg hebben.

 

Inclusiviteit betekent dat scholen en leraren hun pedagogisch-didactisch handelen, curricula en toetsing zo inrichten dat ze leerlingen uitdagen tot leerprocessen die betekenisvol, relevant en toegankelijk zijn voor allen. Als we het aantal dimensies bezien waarop leerlingen kunnen verschillen van de gangbare norm – voor zover deze überhaupt bestaat – brengt iedere leerling zo’n complex aan kenmerken met zich mee, dat inclusiviteit gelijk gesteld kan worden aan werk maken van de pedagogische dimensie van het onderwijs. Oftewel onderwijs waarin heterogeniteit van de leerlingpopulatie als uitgangspunt proactief is ingebouwd en er geen nood is voor remediërende programma’s naast/buiten het reguliere programma. Volledige inclusiviteit kan alleen bestaan als ideaal, maar voortdurende gerichtheid van alle betrokkenen op inclusiviteit als doel, kan een significante bijdrage leveren aan het naderen van dit ideaal3.

Veel argumentaties voor cultuureducatie benadrukken het nut van kunst en cultuur in functie van andere doelen. Ikzelf ben van de l’art pour l’art: iemand die niet de behoefte voelt om zich creatief te uiten, zou zich mijns inziens niet met andere doelen bezig hoeven houden. Ik zal me hier toch schuldig aan moeten maken, want instrumentatie van kunst is inherent aan de opdracht van het verbinden van inclusief onderwijs aan cultuureducatie. Echter, als we de school niet louter zien als een plek waar leerlingen zich leren aanpassen aan de kenmerken van de maatschappij, maar ook als een plek waar gewerkt wordt aan de brede vorming van het individu dat leert de status quo in de maatschappij kritisch te bevragen, bevinden aan kunst- en cultuur gerelateerde vakken zich wel degelijk op een plek die hen past.

Onderwijsactiviteiten organiseren is één, maar het verleiden van alle leerlingen tot actieve participatie is een tweede. Mijn boodschap in dit essay is dat we ‘inclusiever’ kunnen worden door beter te begrijpen wat leerlingen motiveert of hen weerhoudt om zich te engageren, en waardoor leerlingen hierin verschillen.

Van jongs af aan leren kinderen over de wereld en hoe hier te handelen. Jonge kinderen vinden bijna alles interessant en leuk, maar gaandeweg ontwikkelen ze hun voorkeuren, doordat zij - naast kennis en vaardigheden - overtuigingen opbouwen over wie ze zijn, wat ze kunnen, en wat de te verwachten gevolgen zijn van hun handelen. Deze overtuigingen zijn subjectief en niet noodzakelijk in lijn met de realiteit, maar wel van grote invloed op hun engagement: zodra een leerling wordt geconfronteerd met een concrete situatie gaan deze overtuigingen meespelen in de inschatting van die situatie.

Uit literatuuronderzoek blijkt dat vijf overtuigingen hierbij essentieel zijn: (1) de inschatting van de eigen bekwaamheid, (2) de mate waarin de omgeving als ondersteunend wordt ervaren om die bekwaamheid te tonen, (3) de ervaren handelingsvrijheid, (4) hun gevoel van verbondenheid en (5) de gepercipieerde sociale norm. Op basis van deze overtuigingen maakt de leerling steeds een afweging tussen wat een activiteit hen oplevert en wat ze hiervoor moeten inleveren, en past vervolgens zijn/haar engagement hierop aan.  Inzicht in dit proces biedt aanknopingspunten voor onderwijsgevenden om engagement te vergroten.

Lees verder