Het Klein in het Groot - Jeroen S. Rozendaal

31 maart 2017

Hoe vormt cultuuronderwijs Rotterdam? Dat is de hoofdvraag waarmee de vier correspondenten van de Maand van Cultuuronderwijs op pad zijn gegaan. Iedere correspondent krijgt  een eigen thema mee van waaruit hij of zij  de hoofdvraag op geheel eigen manier aanvliegt.  De vier thema’s zijn: inclusiviteit, identiteit, creativiteit en brede talentontwikkeling. Nu de Maand bijna voorbij is, geven de correspondenten een overview van hun ervaringen.

Jeroen S. Rozendaal is docent aan de Hogeschool Rotterdam bij het Instituut voor Lerarenopleidingen en de Master Leren Innoveren. Tijdens de Maand van Cultuuronderwijs gaat hij als correspondent op pad met het thema inclusiviteit. Hoe kan cultuuronderwijs bijdragen aan een inclusieve samenleving?

 

Door Jeroen. S. Rozendaal

 

De wereld is veel groter dan jij. Paradoxaal genoeg groeit die wereld als we deze stelling versmallen naar de mensenwereld, want dan komen er tal van niet-stoffelijke werelden bij. Ten eerste is ieder mens is een universum op zichzelf. Iedereen heeft zijn eigen wensen, dromen, talenten, beperkingen en doelen. Maar de mens is niet alleen. Als sociaal dier ontwikkelden wij tal van universa die we in meer of mindere mate met elkaar delen. Soms vrijwillig, soms onvermijdelijk. Die universa bestaan uit systemen die bepalen hoe je succesvol kunt zijn en regels over hoe we met elkaar omgaan. Onze persoonlijke relatie met die werelden bepaalt de kansen die we krijgen èn nemen om hierin te slagen.

 

Interviewer: Eh, Jeroen… je zou toch iets vertellen over inclusiviteit en cultuuronderwijs?

Ik: Ja, geef me nu even…

 

In onze huidige tijd wordt succes vooral afgemeten langs economische standaarden. In een tijd waarin ons financiële systeem kraakt en zich in bochten wringt, moeten wij onszelf staande kunnen houden onder condities die zich kenmerken door een vermindering van sociale zekerheiden en toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt; condities die een appèl doen op ons ondernemerschap. Als vanzelfsprekend wordt er vooral naar het onderwijs gekeken om ons hierop voor te bereiden.

Het besef van economische verharding van onze maatschappij veroorzaakte een focus op de meetbaarheid van schoolresultaten. Verder werd er een “nieuwe set” van doelstellingen voor het onderwijs gepresenteerd, de zogenaamde 21st century skills. Beide accenten brengen de nodige problemen uitdagingen met zich mee.

Het credo “Meten is weten” maakt dat wat niet meetbaar is niet bestaat, of in ieder geval minder relevant gevonden wordt. De nadruk kwam te liggen op vakken als rekenen, lezen en schrijven. Lastig meetbare competenties moesten in toenemende mate het onderspit delven. Het veroorzaakte een disbalans tussen de drie functies van het onderwijs: de socialiserende en persoonsvormende functie legden het af tegen de kwalificerende functie. Zo ook, gek genoeg, een belangrijk deel van de 21st century skills.

Ik ga de relevantie van die hippe skills hier niet betwisten. Wat mij wel zorgen baart is dat de vaardigheden die onder deze vlag geschaard worden (waaronder kritisch denken, creativiteit, samenwerking en zelfregulering) grotendeels oud nieuws zijn en dat we er blijkbaar nog steeds niet in slagen om deze (breed) te integreren in ons onderwijs. Oud nieuws? Ja, de reformpedagogen slagen er al sinds 1900 in om het werken aan deze vaardigheden nadrukkelijk te integreren in hun curricula. Het belangrijkste verschil is dat zij werkten vanuit een niet-wetenschappelijk gefundeerde ideologie. Tegenwoordig zijn er echter tal van empirische bewijzen voorhanden die het belang van deze vaardigheden onderschrijven en handreikingen bieden om deze bij leerlingen te ontwikkelen. Zo kwamen deze vaardigheden hortend en stotend op de innovatieagenda van het regulier onderwijs. Over de invloed van de cultuur van het meten gesproken… Ik wil hier dan ook meteen een lans breken om na te denken en te experimenteren met het in kaart brengen van minder makkelijk meetbare competenties van leerlingen. Een mooie uitdaging voor alle onderwijsprofessionals!

 

Mijn - overigens verre van originele -  mening is, dat eerdergenoemde problemen met name het gevolg zijn van een verkeerde gerichtheid van het onderwijs: wat stellen we voorop? De leerstof? Of de ontwikkeling van de mens? Wat er gebeurt als we met name de leerstof centraal stellen weten we inmiddels wel. Chargerend: er is een duidelijk meetbare lat die met name gevormd wordt door cognitieve doelen. En die lat… daar moet je overheen springen. Vervolgens selecteren we op basis van de mate waarin dit je lukt. We helpen de leerling wel, maar de gevoerde didactiek kenmerkt zich door one size fits all. De gevolgen zijn uitsluiting van bepaalde groepen mensen van maatschappelijke deelname en verspilling van talent.

Als we ons onderwijs nadrukkelijk gaan richten op de ontwikkeling van mensen begint de ware uitdaging. Wie zijn eigenlijk die kinderen in de klas? Wat is hun achtergrond? Wat willen ze en waarom? En hoe kunnen we hen - met inachtneming van persoonlijke kenmerken - begeleiden in hun ontwikkeling als mens en hen helpen om de juiste plek in de wereld te vinden, zowel carrière-technisch als sociaal? In die grote, harde wereld wordt het tijd om weer naar het kleine, het individu, te gaan kijken. Daarvoor is een grote ommezwaai in het onderwijssysteem nodig.

 

Ik ga van klein naar groot. 

 

In de klas is het van belang om weer ruimte maken voor socialisering en persoonsvorming naast kwalificerende doelen. Tijdens de lezing van Mark Mieras, die ik bezocht bij de Thomas More Hogeschool, betoogde hij dat juist het werken aan deze drie doelstellingen in samenhang over en weer versterkend werkt.  Hij benadrukte bijvoorbeeld het verband tussen de mate waarin kunst in het curriculum is geïntegreerd en de mate waarin het geboden onderwijs kinderen écht verder brengt. Enerzijds heeft dit te maken met het feit dat kunst en kunstonderwijs kinderen helpt om meer betekenis aan de wereld om hen heen te geven, maar anderzijds door een benadering van leren die uitgaat van exploratie, nieuwsgierigheid, spelen en fouten mogen maken. Met name het laatste: fouten mogen maken, dus ook durven het niet te weten en buiten de lijntjes van je eigen overtuiging mogen kleuren, zijn van enorm belang bij het leren binnen alle drie type doelstellingen.

Vergroot ook in de klassenorganisatie de ruimte om te kunnen differentiëren in niveau en verwerkingstijd, maar zeker ook naar interesse (zowel qua inhoud als vorm). Dit betekent niet dat je als leraar geen ambitieuze doelen moet stellen, maar je kunt ontwikkelingsgericht met iedere leerling aan deze doelen werken.

Van de WIRED-expertmeeting over praktijkonderwijs in Hofplein Rotterdam bleef me vooral bij dat soms eerst de juiste condities geschapen moeten worden, voordat er überhaupt aan lesactiviteiten kan worden toegekomen. Deze condities zijn vaak vooral relationeel. Dit vraagt van een leraar veel sensitiviteit. En natuurlijk geduld. Het onderstreept ook het belang van het maken van lange leerlijnen voor alle ontwikkelingsgebieden (dus ook voor kunst en cultuur), in plaats van incidentele activiteiten. Leerlingen hebben dan de tijd om te wennen en te groeien in hun durf en vaardigheden.

Met betrekking tot het werken aan relatie en onderlinge verbondenheid vond ik de aanpak van maatschappijleraar Halil Karaaslan zeer inspirerend. In zijn “Waardenloos onderwijs” richt hij zich op het omgaan met culturele verschillen in de klas.  Binnen samen met de leerlingen opgestelde normen over hoe je met elkaar omgaat, maakt hij alle waarden bespreekbaar. Hoe uiteenlopend ook.

Tijdens de expertmeeting kwamen we te spreken over de behoefte aan meer praktisch inzicht in culturele dimensies in didactiek. Wie daar meer over weet mag meteen contact met mij opnemen!

 

Binnen de school moet het team de handen ineenslaan en samen het beroep van leraar weer de professionele status teruggeven die ooit had en die het verdient. Dit betekent: gezamenlijke visievorming op hoe je als team de brede ontwikkeling van je leerlingenpopulatie aanpakt, gezamenlijke professionalisering op die onderwerpen die bijdragen aan de brede ontwikkeling van leerlingen, als team durven experimenteren en ook fouten durven maken (hoe krijg je anders je als leraar je handelingsverlegenheid eronder?), gedeelde verantwoordelijkheid binnen het team voor alle leerlingen (ook pedagogisch!), en natuurlijk samenwerking met ouders.

 

In de buurt is het van belang om duurzame samenwerking tussen scholen en sociale en culturele instellingen op te zetten en te onderhouden. In het gesprek dat ik had met Cornelis Krul, beleidsadviseur Onderwijs van de gemeente Rotterdam, kwam met name het belang naar voren van het gezamenlijk afstemmen en optrekken van de school en de verschillende andere instellingen in de nabijheid van de school. Deze samenwerking en de bekendheid van de docenten en anderen betrokkenen met de kenmerken van de buurt en de mensen die er wonen is van groot belang voor het kweken van over en weer begrip en de effectiviteit van de geboden begeleiding.

 

Op bestuurlijk niveau dient ruimte geboden te worden aan onderwijsinstellingen om responsief te reageren op dat wat de lokale context vraagt en de facilitering daarvan, waaronder de eerdergenoemde structurele samenwerking met andere sociale en culturele instellingen. Het is te hopen dat met de start van de Gelijke Kansen Alliantie van minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker op landelijk niveau, en met het Masterplan Onderwijs van de Gemeente Rotterdam op stedelijk niveau hier nadrukkelijk vorm aan wordt gegeven.

 

Tijdens de Maand van Cultuuronderwijs kwam ik tal van bevlogen mensen tegen die werken aan prachtige initiatieven met betrekking tot kunst, cultuur en inclusie. Al was het alleen maar bij de aftrap van de Gelijke Kansen Alliantie in de Rotterdamse Schouwburg, waar onder meer Fonds voor Cultuurparticipatie, SKVR, Meer muziek in de klas, Hiphop in je Smoel, Young Impact, De ToekomstAcademie, en het Jeugdcultuurfonds zich in een korte pitch voorstelden aan het publiek. Maar met geïsoleerde initiatieven blijven we (te) ver verwijderd van het realiseren van onze ambities.

 

Dus in het kort: terug naar de menselijk maat en samenwerking, samenwerking, samenwerking. Inclusie volgt dan als vanzelfsprekend, evenals de brede (dus ook de culturele en artistieke) ontwikkeling van de leerling.

 

Interviewer: Het duizelt me. Is die ambitie niet verlammend groot en complex?

Ik: Laat me de Amerikaanse onderwijsgoeroe Michael Fullan citeren: ‘Think big, start small. But start!’

 

We hebben elkaar nodig. Zoek elkaar op en houd elkaar vast!