‘Even een tekeningetje erbij, dat is gewoon lekker.’

29 januari 2018

Lienke Moerman, docent ckv en beeldende kunst bij het Rudolf Steiner College, gebruikt in haar havo/vwo-klassen de kunstautobiografie. Op haar beurt zoekt dramadocent Wilma Bendijk van de Lucia Petrus Mavo een manier om culturele ervaringen van leerlingen te vangen. Ze wil graag weten hoe Lienke te werk gaat.

 

Door Maurice Geluk

 

Illusies maakt Wilma zich niet meer. Ze weet dat haar vmbo-leerlingen ''allemaal instapniveau nul hebben'' waar het kunst en cultuur betreft. Alles wat ze daar uiteindelijk over leren, leren ze op school. De docent legde daarom al jaren geleden enthousiast verbindingen met kunstinstellingen in de stad. Dat staat inmiddels als een huis. Zo gaan ze ieder jaar naar TENT, Maas theater en dans, Digital Playground. Alle leerlingen schrijven daar verslagen over. Maar wat Wilma betreft mag het levendiger, persoonlijker.

 

In Wilma’s klaslokaal legt Lienke een bloemlezing aan kunstautobiografieën van haar vrijeschoolleerlingen op tafel. Eentje schrijft over kunstenaar Botero als inspirator. Twee meisjes noemt Lienke ''zeer zelfbewust'' op het gebied van de kunsten. Een wereld van verschil vergeleken met de leerlingen op de Lucia Petrus Mavo, merkt Wilma op. Op de school van Lienke is kunstonderwijs juist met het curriculum verweven. De autobiografie, ook cultureel zelfportret genoemd, speelt vanaf het vierde jaar havo/vwo een rol.

 

''Kinderen die bij jou een kunstautobiografie hebben, wat staat daarin?'' wil Wilma weten. Lienke antwoordt dat het vooral gaat om wat zij leuk vinden aan kunst, wat hun ervaring ermee is. ''Het is ook gericht op de toekomst, dus hun verwachtingen ten aanzien van ckv of wat ze willen leren over kunst.''

 

Wilma zoekt sinds de zomer naar een geschikte vorm voor zoiets als een kunstautobiografie. Een persoonlijk document dat leerlingen misschien wel een schoolcarrière lang bij zich dragen. Moet dat op papier, digitaal, als geheel iets anders? Ze heeft het ei van Columbus nog niet gevonden.

 

''Helpt het jou bij het lesgeven?'' is de volgende vraag van Wilma. ''Het stimuleert'', zegt Lienke, ''zeker als je goede leerlingen hebt.'' De kunstautobiografie zorgt volgens de docent voor een betere aansluiting op de belevingswereld van leerlingen. Toch steekt niet iedereen hoog in, merkt ze. Er liggen ook simpele verslagen op tafel.  

 

Bij Lienke op school is gekozen voor een kunstautobiografie op papier van hooguit twee A4’tjes. Leerlingen geven antwoord op een aantal standaardvragen. Beeld voegen ze zelf toe. Ze schrijven het tijdens de les, soms in een uurtje. Een vorm die niet in beton blijkt gegoten. Het Rudolf Steiner werkt sinds dit schooljaar met de autobiografie, als onderdeel van het nieuwe ckv. Het is aftasten en wennen, zegt Lienke. Voor zowel docent als leerling.

 

''De kunstautobiografie is bij jullie op school dus een beschouwing, die ze één keer schrijven'', poneert Wilma. ''Ja, maar nadat ze het hebben geschreven, zie ik ze nog acht weken'', aldus Lienke. ''We hebben het er dan meermaals over. Vervolgens komen leerlingen, na twee jaar ckv, in een nieuw zelfportret terug op de beginsituatie. Een moment om te reflecteren op wat ze hebben geleerd, wat de meerwaarde is van het vak.''

 

In het Rotterdamse vmbo heeft de kunstautobiografie zijn intrede nog niet gedaan. Afkijken kan dus niet. Wilma heeft al wel helder welke elementen het zou moeten bevatten. ''Eind van de derde wil ik terugzien hoe we in de brugklas zijn gestart met drama, beeldend, binnen- en buitenschoolse activiteiten. Met aan het einde een presentatie. De route die ze hebben afgelegd, wil ik voor henzelf zichtbaar maken.'' Hoe? Dat is en blijft de vraag.

 

Speelt mee dat bij Wilma soms tot dertig kinderen in de klas zitten. Die ziet ze een keer per week, vijftig minuten lang. Veel tijd om aan een kunstautobiografie te werken, is er niet. Dat is bij Lienke wel anders. Tekenles geeft ze doorgaans aan vijftien kinderen tegelijkertijd. Bovendien heeft ze veel ckv-collega’s. ''Ruimte is altijd wel te maken. Ze tekenen of schilderen niet de hele tijd.''

 

Al snel wordt bij een kunstautobiografie gedacht aan een digitaal product. Zo staan op YouTube talloze filmpjes van kinderen die honderduit vertellen. Verschillende bedrijven bieden digitale portfolio’s aan, tegen betaling. ''Dat geld geef ik liever uit aan klassenuitjes'', reageert Wilma. Hoewel Lienke digitale mogelijkheden onderzoekt, hecht ze nog veel waarde aan papier. ''Een portfolio in ouderwetse zin. Even een tekeningetje erbij, dat is gewoon lekker.''

 

Over de slotsom zijn de twee docenten het roerend met elkaar eens. De kunstautobiografie moet een weergave zijn van de intrinsieke betekenis van kunst en cultuur voor leerlingen. ''Dat iemand aan het einde zegt ‘niet mijn ding’, mag van mij ook'', zegt Wilma. ''Maar dit moet dan wel ergens op zijn gebaseerd.''