De leraar binnen het makersonderwijs

14 maart 2019

De gedachte dat leren alleen in het hoofd plaats zou vinden, is achterhaald. Langzaamaan wint makersonderwijs meer terrein. Een onderwijsvorm die niet gestoeld is op het cognitief overdragen van informatie, maar die maken aan leren verbindt. Dat vraagt om een andere manier van lesgeven met een andere rol voor de leraar.

 

Tessa Smal is als beeldend docent op kunstzinnige basisschool ‘t Landje in Rotterdam voortdurend bezig met makersonderwijs. Onderzoekend en ontwerpend leren, dat is zowel de insteek van de school als van haar lessen. “Maken is een proces van bedenken, onderzoeken, uitvoeren en verbeteren”, legt Tessa uit. “Als docent beeldend coach ik het maakproces dat iedere leerling voor zichzelf doormaakt. Ik geef kinderen daarin de ruimte om hun ideeën uit te mogen zetten en help ze groeien in hun eigen proces.”

Binnen dat proces heeft Tessa niet alleen een coachende positie, maar ook een belangrijke voorbeeldrol. “Ik schrijf mijn lessen zelf en voer ze zelf uit. Daarbij kom ik nog steeds technieken tegen die ik niet ken. Die leer ik door ze op school te doen en er thuis verder mee te experimenteren. Het proces dat ik doorloop werkt dus precies hetzelfde als dat van de leerlingen. Vorig jaar heb ik bijvoorbeeld samen met groep vijf een weefraam gemaakt, maar dat had ik zelf nog nooit gedaan. Op die manier maak ik ze deelgenoot van het proces.” Een groot voordeel hiervan is dat kinderen sneller fouten durven maken, aldus Tessa. “Veel kinderen vinden het lastig om te falen. Ze willen het liefst iets maken dat meteen perfect is. Maar ze merken al snel dat je het falen juist nodig hebt om verder te komen. En doordat ze mij zien leren door te maken, zijn ze zelf minder bang om het fout te doen.”

Tessa - die naast docent ook kunstenares is - ziet duidelijk wat voor effect het makersonderwijs op haar leerlingen heeft. “In de vier jaar dat ik nu werk als vaste docent beeldend, zie ik hoe de kinderen zijn gegroeid. Hun producten worden beter, ze gaan steeds innovatiever denken en komen zelf met ideeën. Leren door te maken helpt ze om zelfvertrouwen te ontwikkelen, buiten kaders te blijven denken en te ontdekken dat er verschillende manieren zijn om tot een punt te komen. En het mooie is dus dat lichaam en geest elkaar daarin versterken. Wanneer je iets maakt, merk je namelijk dat er vervolgens ook in je hoofd iets gebeurt. Vorig jaar op Make!Dreams stond die wisselwerking tussen lichaam en geest centraal. Het is heel interessant om op dat onderwerp de verdieping in te gaan.”

De Make!-bijeenkomsten die KCR twee keer per jaar organiseert, draaien volledig om makersonderwijs. Tijdens de twee dagen vol workshops en lezingen voor en door makers staat telkens een ander thema centraal. Iko Doeland was één van de sprekers op Make!Dreams in 2018. In zijn onderzoek over embodied cognition richt hij zich specifiek op de relatie tussen makerschap en het lichaam. “Leren vindt niet plaats in het hoofd”, vertelt hij. “Vroeger sprak men over de body-mind split, ofwel: de geest stuurt het lichaam aan. Maar steeds meer onderzoek toont aan dat het zo niet werkt. Geest en lichaam zijn een eenheid. Vandaar dat we spreken over een embodied mind. De geest is een interactie tussen brein, lichaam en omgeving. Toch gaan we er in het onderwijs nog altijd van uit dat we enkel informatie moeten overdragen aan de leerlingen. We vergeten daarbij dat het niet een brein is dat leert. Het zijn mensen die leren.”

Die theorie over embodied cognition zette Iko tijdens Make!Dreams om in een workshop mayonaise maken. De workshop startte met een interactieve presentatie over embodied cognition in het algemeen, waarna Iko de fases van skillverwerving in het model van Hubert Dreyfus met de deelnemers doornam. Vervolgens ervaarden zij in welke fase zij zelf zaten door handmatig mayonaise te maken. “De leraren ervaren tijdens die workshop dat ze bij het maken enorm rationeel moeten nadenken. Je loopt tegen je eigen onmogelijkheden op, maar ervaart tegelijkertijd dat je op weg gaat naar een stukje bekwaamheid en dat je daar verschillende fases in kunt doorlopen. Daardoor kun je als kunstdocent beter leren zien in welke fase je pupil zit en kun je hem of haar daar in de juiste mate in begeleiden.”

De relatie tussen leerling en leraar binnen het makersonderwijs krijgt volgens Iko grotere waarde wanneer deze wordt ingevuld als een relatie tussen meester en gezel. “Zo had je in de Renaissance de mooie driedeling translatio, imitatio, aemulatio, waarbij het hoogste doel van de gezel was om de meester te overtreffen. De meester was daarbij net zozeer leraar als voorbeeld. Ik ben daarom een groot voorstander van docenten die zelf maken in de klas, zodat de leerlingen de docent zien maken.”

15 en 16 maart vindt de volgende Make! plaats. Tijdens Make!Do borduren we voort op ‘leren door te maken’. Dit vanuit het oogpunt van de ontwerper en de wereld van design. Want hoe verhoud je je tot een wereld waar alles ontworpen is en hoe pak je dit onderwerp op in (kunst)lessen? Kunnen we door de leerling te leren ontwerpen, hem of haar meer grip laten krijgen op de wereld? Deze vragen onderzoeken we tijdens Make!Do.