Correspondent Derek Otte: Easy as one, two, three

07 juni 2019


Rotterdam staat bol van jong cultureel talent, maar wordt het wel voldoende benut? Derek Otte geeft tien adviezen voor starters, zelfstandigen, grote instellingen én de gemeente om het talent meer ruimte te geven.


Door: Derek Otte

Als stadsdichter ontdekte ik pas écht hoe groot het gat is tussen gevestigde orde en wat er daarbuiten in kunst- en cultuurstad Rotterdam gebeurt. ‘Jouw soort mensen’, zei iemand van een grote kunstinstelling ooit tegen mij, om daarna over het ‘belang van diversiteit’ te oreren. Mijn soort mensen, inderdaad. Want ik bén wit, man én heteroseksueel maar ik ben trots onderdeel van een superdiverse omgeving. Daarbij kom ik uit een arbeidersgezin – ik zat vroeger zeg maar niet op blokfluitles – heb ik een zeer beperkte academische achtergrond en heb ik nooit een netwerk in de ‘hoge cultuur’ opgebouwd.

Dat zijn géén Calimero-opmerkingen; gewoon feiten die mij en velen rondom mij in meer of mindere mate vormen. Ze bepalen de manier waarop we spreken en waarop we ons kleden. De wijze waarop we naar de wereld kijken, de dingen waar we wel of niet om kunnen lachen, onze normen en waarden. Onze bezigheden, onze kunst. Ze vormen een (sub)cultuur, zoals hiphop. Iets om trots op te zijn. Want maker ben je dankzij wat je doet, niet ondanks wie je bent. Wat je doet, wordt gevormd door wie je bent en andersom. Samen vorm je een eigen wereldje, een scene.

Dat de kunst- en cultuurafdeling van de gemeente al die aparte werelden niet begrijpt, is helemaal niet erg. Wél kun je je afvragen of het slim is om ze te negeren ten faveure van grotere partijen, als het merendeel van het Rotterdamse publiek tot zo’n ‘wereldje’ behoort.

Toen ik stadsdichter werd, was ik al zeven jaar bezig met schrijven voor publiek. Na jaren van performen wist gemeentelijk en gevestigd cultureel Rotterdam óók opeens wie ik was. Ik dacht: mooi! Tijd om werelden samen te brengen. En dát viel vaak tegen.

Gevestigde partijen hebben gevestigde samenwerkingspartners: een grotendeels besloten netwerk van oudere partijen. In tegenstelling tot jonge makers, hebben ze moeite om de moderne grootstedelijke doelgroepen te bereiken. Maar gelijkwaardige samenwerkingen met nieuwe makers zitten er gewoon niet in als er bínnen de grote organisaties niet óók iets verandert. Je personeel bepaalt immers je programmering en die programmering bepaalt je publiek. ABC, toch? Niet héél lastig.

Ik sprak met verschillende jonge, Rotterdamse makers over de ruimte en mogelijkheden die de stad hun biedt (of niet). Deze schrijvers, dichters, producenten, fotografen, dansers, muzikanten, zangeressen, comedians, rappers en vormgevers (makers) zijn allemaal tussen de 18 en de 34 (jong) en zijn van zéér uiteenlopende etnische en sociaaleconomische komaf (Rotterdams dus).

Sommigen zijn bezig aan het eerste jaar van een carrière als zelfstandige, anderen zitten er middenin en wéér anderen hebben er noodgedwongen mee op moeten houden. Om een en ander overzichtelijk te houden (én omdat de oplossingen voor de moeilijkheden die we bespraken eigenlijk zo simpel zijn als dat ene liedje van The Jackson 5), deel ik ze op in categorieën: A (beginners), B (zelfstandigen), C (gestopten).

Wie A zegt…


“Hier ga je het zelf moeten doen, niemand gaat je helpen zeg maar. Maar ja, gewoon knallen toch?” De woorden komen uit de mond van iemand die z’n geld verdient met spoken word-optredens, presentatieklussen en het geven van rap- en dichtworkshops. “Met één ding ga je het gewoon niet redden, daarom ben ik vliegende keep.” Hij is nog maar net begonnen en de vrijheid bevalt ‘m wel. Maar zijn tarieven lopen nogal uiteen: “Eerlijk, soms sta je voor 50. Soms zelfs 100. Soms doe je iets voor 25 per uur en dat tikt dan met 4 of 8 uurtjes wel lekker aan.”

Niet weten wat je werk waard is – dat is een veelvoorkomend probleem onder jonge makers. In het begin ben je allang blij dat je op een podium of voor een klas mág staan. Dat is helemaal niet erg ook; die on(der)betaalde vlieguren horen er in het begin een beetje bij. Maar gevestigde partijen in het culturele veld maken te vaak misbruik van tomeloos enthousiasme en grote onwetendheid aan makerszijde. Die makers koesteren elke euro, want, aldus een aspirerend zangeres uit dezelfde categorie: “Jij gaat niet optreden voor 150, tien andere muzikale acts wel. Dus, wat doe je dan?”

Ja, wat doe je dan. Ik vroeg het autonome makers die wat langer bezig zijn.

Moet B zeggen!


“Ja, zo houden de meesten van ons zichzelf klein. En dat vinden de grote jongens wel prettig ook, denk ik. Ik ben daar helemaal uitgestapt joh.” Ik spreek met een schrijver die eigen werk maakt en veel in opdracht werkt. “Slogans, copy, social media. Eigen werk is eigen doelgroep, eigen tempo. Dat valt te betalen, door óók in opdracht te werken.” We moeten er allebei om lachen, maar zo is het wel. “Je moet weten wat je waard bent en dat durven vragen. En vooral durven te bedanken als je niet krijgt wat je wil hebben. Vooral dát is eng in het begin.”

De financiële verschillen tussen de commerciële opdrachtgevers en de niet-commerciële wereld (waar gesproken wordt over ‘beperkte budgetten’) zijn inderdaad groot. Maar is het alleen een kwestie van centen of ook van een stukje waardering? Met andere woorden: begrijpt men in de kunst en cultuursector wel voldoende hoe het leven van een gemiddelde maker er eigenlijk uitziet?

Een comedian en presentator: “Ik ben bij de gemeente weleens uitgelachen om een volgens mij méér dan schappelijk prijsvoorstel. Dit ligt in mijn ogen allemaal óók onder die hele inclusiviteitsdiscussie joh.”

Als ik hem vraag wat hij hiermee bedoelt, antwoordt hij: “Kijk, mensen bij grote instellingen en de gemeente hebben gewoon hun werk, van negen tot vijf zeg maar. Dat is anders dan hoe wij leven. Ze snappen dát vaak al gewoon niet. Dan doen we vaak nog iets wat ze misschien niet helemaal begrijpen en dan zien velen van ons er óók nog eens heel anders uit. Ja, hallo!”

C’en


“Of Rotterdam haar jonge cultuurtalenten omarmt? Zéker. Maar ja. Met liefde betaal je de huur niet hè.” Hij maakte muziek maar is daarmee gestopt omdat hij er niet genoeg vastigheid mee op kon bouwen. Op een gegeven moment moet je dan je conclusies trekken: “Je gaat over de 30, richting de 35… Je wil een huisje, iemand om het leven mee te delen, een kleine. Daar hoort nou eenmaal een vast inkomen bij. Dat ging de muziek mij niet brengen.”

Dat beaamt een jonge schrijfster, die op het punt staat om een vaste baan te gaan zoeken: “Ik wilde subsidies aanvragen voor de stichting die ik had opgericht. We boden gratis taalles aan kids die het moeilijk hadden op school. Via de woordkunst lieten we ze juist ook de lol van taal beleven. Je wil op een gegeven moment professionaliseren. Nou, dat kost geld. Daar zijn potjes voor, toch? Als je het krijgt, blijft het behelpen. Als je het niet krijgt, hoor je vaak niet waarom je het niet krijgt. Ja, dat je nog niet georganiseerd genoeg bent. Ja, duh. Als jij continu moet rennen voor je eigen geld…”

Tien actiepunten


Van getalenteerde mensen lijkt te worden verwacht dat het Duracell-konijnen zijn. Hun intrinsieke motivatie zou eerlijk beloond moeten worden. Dat hoeft niet altijd met keiharde financiën: administratieve hulp, fysieke ruimte en praktische ondersteuning bij het (door)ontwikkelen van activiteiten, zou voor veel jonge makers al een wereld van verschil maken.

Het kopje ‘diversiteit’ kan worden afgevinkt door losse, eenmalige samenwerkingen met jonge makers aan te gaan. Maar van die papieren werkelijkheid kunnen we een vliegtuigje vouwen dat precies nergens naartoe vliegt.

Wat we wél kunnen doen? Met zowel A, B als C ben ik tot de volgende concrete punten gekomen. Ik hou ervan om hoopvol af te sluiten. Geen tien geboden, wél tien potentiële actiepunten voor de verschillende actoren in bovenstaand verhaal.

1.


Startende maker: zoek een zakelijke mentor. Iemand die jou continu feedback kan geven, óók op de economische waarde die je vertegenwoordigt.

2.


Startende of autonome maker: weet wat je waard bent en vraag dat ook! Ontwikkel je ondernemersgeest en sta voor wie je bent en wat je doet.

3.


Autonome maker: deel je verhalen over vallen en opstaan, schade en schande. Probeer je zakelijke kennis door te geven.

4.


Grote kunstinstelling: stop met het onderbetalen van jonge makers óf integreer ze in je beleid.

5.


Grote kunstinstelling: je personeel bepaalt je programma, en het programma bepaalt dan je publiek. Laat ‘nieuwe’ mensen binnen.

6.


Grote kunstinstelling: je kúnt inclusiever (jonger en diverser) worden, als je zegt die ambitie te hebben. Het gaat daarbij om méér dan kleur, geslacht, geloof en geaardheid. De mensen zijn er en ze willen. En ze kunnen het!

7.


Gemeente: maak subsidieprocedures inzichtelijker en aanvraagdeadlines beter en breder bekend. Jonge makers kunnen helpen (tegen betaling) bij de campagnes. Sowieso kunnen ze helpen met een creatief consult hier en daar. Een soort klankbord.

8.


Gemeente: zorg voor prikkels bij grote kunstinstellingen om écht met verjonging en inclusiviteit aan de bak te gaan. Let bij ‘inclusiviteit’ wel even op punt 6.

9.


Gemeente: stuur je ambtenaren – vooral degenen die beslissen over kunst en cultuur – op pad. Ze zijn altijd welkom bij optredens en workshops.

10.


Gemeente: maak ook (financiële) keuzes in het licht van bovenstaande. Gevestigde instellingen passen zich pas aan als dat betekent dat er voor hen gereserveerd geld naar jonge makers gaat die wél in het nu staan. Actualiteit en relevantie zijn het faciliteren waard.

Drieluik over cultuuronderwijs


Deze serie is geïnitieerd door KCR en wordt gepubliceerd in samenwerking met Vers Beton. KCR organiseert sinds 2017 elk jaar de Maand van Cultuuronderwijs. Een maand lang staat cultuuronderwijs in Rotterdam in de spotlights. Deze maand stond dit jaar in het teken van ‘de drempel over’. Hoe nodigt kunst en cultuur uit om onbekende drempels te nemen? Wat levert het op die over te gaan? En welke drempels werpen de culturele sector en de stad zelf op voor talenten? Naar aanleiding van dit thema gingen Derek Otte, Saskia Naafs en Inge Spaander op onderzoek uit.